
Jurisprudentie
AD9575
Datum uitspraak2002-02-25
Datum gepubliceerd2002-02-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
ZaaknummersReg.nr.: 01/863 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-02-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
ZaaknummersReg.nr.: 01/863 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verweerder heeft ten onrechte tot toepassing van art. 30a.1.c ZW besloten, nl. op een moment, dat daarvoor op grond van de hem inmiddels bekende feiten geen feitelijke grond meer aanwezig was.
Eiser ontvangt sedert 27 juni 2000 ziekengeld. Op 18 september 2000 heeft eiser aangegeven dat hij tot april 2001 naar zijn vaderland Pakistan wilde. De verzekeringsarts heeft eiser echter toestemming gegeven om daar tot 21 december 2000 te blijven. Op laatstgenoemde datum moest eiser op het spreekuur komen. Eiser is daar echter niet verschenen, zodat verweerder eisers ZW-uitkering met ingang van die datum heeft geweigerd. Eiser stelt dat hij vanuit Pakistan faxen heeft verstuurd met de redenen waarom hij niet op het spreekuur kon verschijnen.
De rechtbank is niet tot de overtuiging kunnen komen dat verweerder de faxen van eiser uit Pakistan op 19 december 2000 heeft ontvangen. Niet kan worden gezegd dat eiser aan zijn mededelingsplicht op grond van art. 49 ZW heeft voldaan, nu hij niet tijdig heeft doorgegeven dat hij niet op het spreekuur van 21 december 2000 kon komen.
Ondanks het vorenstaande kan het besluit van verweerder in rechte geen stand houden. Vast staat dat verweerder, toen hij op 21 juni 2001 alsnog overging tot de toepassing van art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW, inmiddels wél in het bezit was van meergenoemde faxen. Deze heeft eiser immers in ieder geval op 12 maart 2001 bij verweerder ingeleverd. Bovendien was eiser op laatstgenoemde datum alsnog op het spreekuur verschenen. Bovendien heeft verweerder blijkens het primaire besluit van 29 mei 2001 eerst het standpunt ingenomen dat eiser zonder bericht van verhindering niet op het spreekuur was verschenen, zodat er op grond van art. 45 ZW een maatregel moest worden opgelegd. Eerst bij zijn brief van 21 juni 2001 heeft verweerder zich alsnog op het standpunt gesteld dat art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW moest worden toegepast, omdat het recht op ziekengeld met ingang van 21 december 2000 niet kon worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter, ondanks het feit dat eiser zijn verplichting op grond van art. 49 ZW niet is nagekomen, niet worden volgehouden dat eisers recht op ziekengeld per 21 december 2000 niet meer kon worden vastgesteld. De verzekeringsarts had namelijk alsnog, op 12 maart 2001 of daarna, kunnen onderzoeken of eiser ingaande 21 december 2000 nog ongeschikt was en recht op ziekengeld had en of de faxen voor eiser een geldige reden inhielden om niet op het spreekuur van 21 december 2000 te verschijnen. Verweerder heeft dus tot toepassing van art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW besloten op een moment, dat daarvoor op grond van de hem inmiddels bekende feiten geen feitelijke grond meer aanwezig was.
Beroep gegrond; bestreden besluit wegens strijd met art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW vernietigd; verweerder dient nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 01/863 ZW
Inzake het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. A.Z. van Braam, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp in Leeuwarden,
en
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder,
gemachtigde: drs. G.A. Tellinga, werkzaam bij het districtskantoor te Leeuwarden van UWV Gak.
Procesverloop
Bij brief van 4 september 2001 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Ziektewet (ZW).
Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 20 februari 2002. De rechtbank heeft partijen opgeroepen. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Motivering
Met ingang van 1 januari 2002 is het Uwv getreden in de rechten en plichten van het Lisv (art. 9, 11 en 17 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 625). Waar in deze uitspraak gesproken wordt van 'verweerder' moet tot die datum dan ook worden gelezen 'het Lisv'.
Nadat eiser zich op 27 juni 2000 met rug- en heupklachten had ziekgemeld, heeft verweerder hem ziekengeld toegekend. Op 18 september 2000 is eiser (wederom) op het spreekuur van de verzekeringsarts verschenen. Hij heeft aangegeven dat hij tot april 2001 naar zijn vaderland Pakistan wilde. De verzekeringsarts heeft hem evenwel slechts toestemming gegeven om tot 21 december 2000 in Pakistan te verblijven. Op 21 december 2000 moest eiser weer op het spreekuur komen. Eiser is omstreeks 1 oktober 2000 naar Pakistan vertrokken. Op het spreekuur van 21 december 2000 is hij niet verschenen. Op 9 maart 2001 is eiser weer naar Nederland teruggekeerd.
Bij besluit van 9 januari 2001 heeft verweerder eiser bericht dat, nu hij zonder bericht niet op het spreekuur van 21 december 2000 is verschenen, zijn uitkering van ziekengeld ingaande 18 december 2000 wordt geschorst. Het tegen dit besluit gerichte bezwaarschrift is bij besluit van 27 april 2001 ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft eiser geen beroep ingesteld.
Bij besluit van 29 mei 2001 heeft verweerder eiser vervolgens bericht dat hem op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden met ingang van 21 december 2001 het ziekengeld wordt geweigerd onder toepassing van art. 45 ZW. Bij brief van 21 juni 2001 heeft verweerder de motivering van het besluit van 29 mei 2001 gewijzigd in die zin dat eisers recht op uitkering met ingang van 21 december 2000 niet meer kan worden vastgesteld. Daarom wordt de toekenningsbeslissing op grond van art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW met ingang van die datum geheel ingetrokken.
Het tegen het besluit van 29 mei 2001 gerichte bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zijn standpunt gehandhaafd. Volgens verweerder heeft hij de faxen die eiser op 19 december 2000 zou hebben verstuurd en waarin hij de redenen aangaf waarom hij niet op het spreekuur van 21 december 2000 kon verschijnen, niet ontvangen. Het risico dat deze faxen niet zijn ontvangen komt volgens verweerder voor eisers risico.
In beroep is namens eiser betoogd dat de desbetreffende faxen wel degelijk op 19 december 2000 vanuit Pakistan zijn verstuurd aan het Gak-kantoor in Leeuwarden. Eiser heeft zijn mededelingsplicht niet geschonden; mocht dat wel het geval zijn, dan heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan art. 45 ZW.
In dit geding moet de rechtbank beoordelen of verweerder bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met enig wettelijk voorschrift, enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW is (voor zover hier van belang) bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, het Landelijk instituut sociale verzekeringen een dergelijk besluit herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van art. 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of er nog recht op ziekengeld bestaat. In art. 49 ZW is (voor zover hier van belang) bepaald dat de verzekerde verplicht is aan de uitvoeringsinstelling onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende ziekengelduitkering.
De rechtbank is niet tot de overtuiging kunnen komen dat verweerder de faxen van eiser uit Pakistan op 19 december 2000 heeft ontvangen. Eiser heeft geen (leesbare) verzendbevestiging van deze faxen kunnen overleggen die zijn stelling dat hij ze naar het Gak in Leeuwarden heeft verstuurd, kan staven. Weliswaar staan op de faxen een datum, een tijdstip en een paginanummer vermeld, hetgeen op een ontvangst van deze faxen duidt, maar daarmee is nog niet gezegd dat deze inderdaad door het Gak in Leeuwarden zijn ontvangen. Gelet op het onderzoek dat namens verweerder is gedaan naar de lijsten van de op dat kantoor ontvangen faxen in de desbetreffende periode is dat laatste onvoldoende komen vast te staan. De rechtbank kan zich verenigen met het gemotiveerde standpunt van verweerder, dat onder deze omstandigheden het risico van het niet aankomen van de faxen voor rekening van eiser komt. Voorts valt op dat de verzekeringsarts J.H. Zeilstra in een rapportje van 16 januari 2001 schrijft: "VA niet akkoord niet verschijnen en reden niet verschijnen", terwijl hij op dat moment de faxen dus nog niet kende; de rechtbank acht het echter, gelet op de namens verweerder ter zitting gegeven verklaring, niet onaannemelijk dat de verzekeringsarts er van uit is gegaan dat eiser, overeenkomstig zijn oorspronkelijke plan, langer in Pakistan was gebleven. Niet kan worden gezegd dat eiser aan zijn mededelingsplicht op grond van art. 49 ZW heeft voldaan, nu hij niet tijdig heeft doorgegeven dat hij niet op het spreekuur van 21 december 2000 kon komen.
Ondanks het vorenstaande kan het besluit van verweerder in rechte geen stand houden. Vast staat dat verweerder, toen hij op 21 juni 2001 alsnog overging tot de toepassing van art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW, inmiddels wél in het bezit was van meergenoemde faxen. Deze heeft eiser immers in ieder geval op 12 maart 2001 bij verweerder ingeleverd. Bovendien was eiser op laatstgenoemde datum alsnog op het spreekuur verschenen. Bovendien heeft verweerder blijkens het primaire besluit van 29 mei 2001 eerst het standpunt ingenomen dat eiser zonder bericht van verhindering niet op het spreekuur was verschenen, zodat er op grond van art. 45 ZW een maatregel moest worden opgelegd. Eerst bij zijn brief van 21 juni 2001 heeft verweerder zich alsnog op het standpunt gesteld dat art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW moest worden toegepast, omdat het recht op ziekengeld met ingang van 21 december 2000 niet kon worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter, ondanks het feit dat eiser zijn verplichting op grond van art. 49 ZW niet is nagekomen, niet worden volgehouden dat eisers recht op ziekengeld per 21 december 2000 niet meer kon worden vastgesteld. De verzekeringsarts had namelijk alsnog, op 12 maart 2001 of daarna, kunnen onderzoeken of eiser ingaande 21 december 2000 nog ongeschikt was en recht op ziekengeld had en of de faxen voor eiser een geldige reden inhielden om niet op het spreekuur van 21 december 2000 te verschijnen. Verweerder heeft dus tot toepassing van art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW besloten op een moment, dat daarvoor op grond van de hem inmiddels bekende feiten geen feitelijke grond meer aanwezig was.
Het beroep van eiser zal dan ook gegrond worden verklaard, het bestreden besluit zal wegens strijd met art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.
Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het Uwv het door eiser gestorte griffierecht ad € 27,23 te vergoeden.
Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van eiser euro€ 644,= (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € euro 322,=, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Al het vorenstaande heeft geleid tot de volgende beslissing.
Beslissing
De rechtbank:
* verklaart het beroep gegrond;
* vernietigt het bestreden besluit;
* bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
* bepaalt dat het Uwv het door eiser gestorte griffierecht ad €euro 27,23 aan hem terugbetaalt;
* veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €euro 644,=, aan eiser te betalen door het Uwv.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2002, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong als griffier.
J. de Jong P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: 25 februari 2002

